Coöperatie Gedeelde Weelde bestaat tien jaar. Maar het gedachtengoed, de ideeën, de creaties, de mensen, bestaan veel langer. Een aantal mensen dat zich voor de jarige coöperatie inzet, deed dat decennia geleden ook al. Zij waren de voorlopers. De inspiratiebronnen. Wat inspireerde hen? We kijken met deze BioPioniers de komende maanden terug op hun lange reis door duurzaam Maastricht. Ditmaal Frans Hermans (75), ooit zelf biowinkelier, nu actief als meewerkend lid tussen de aardappels, groenten en fruit.
‘Samen voor een natuurlijkere wereld’
Door leden Janine Stougie en Walter Devenijns
Racend door de groente- en fruitafdeling van Gedeelde Weelde. Altijd bereid te helpen, als hij kan. Vaak ongrijpbaar. Je ziet hem, maar zodra hij klaar is, is-ie weer weg. Vertrokken met zijn grote laarzen. En de laatste tijd steeds vaker op zijn blote voeten.
Frans Hermans is een doener. Tegenwoordig zet hij zich ook vol overgave in voor de nieuwe LOCOtuinen in Caberg. Wroetend in de aarde. ‘Ik ben toch echt een kind van Heerlen. Van de mijnwerkers. Altijd naar beneden, want onder de grond is het paradijs en daar zit God’, zegt hij lachend.
Frans is een kind van een moeder uit de Maastrichtse wijk Amby en een vader uit Heerlen. In Heerlen groeide hij op. Zijn puberjaren bracht hij door in een stad die door de sluiting van de mijnen volkomen veranderde. In 1968 verliet hij de stad om in Nijmegen in eerste instantie rechten te gaan studeren. De wijde wereld in. Net als de rest. ‘Het intellect ging de provincie uit.’
Op een deel van de achterblijvers stuitte hij als hij met de trein naar huis ging. Hij moest dan door die beruchte spoortunnel van Heerlen: ’Toen ik werd geboren in 1950 ging het nog goed met de stad. Maar tijdens mijn studie zag ik de minder goede kanten van de sluiting. Er was echt veel armoede. De vaders waren werkloos en de zonen lagen in de drugstunnel.’
In Nijmegen heerste een totaal ander klimaat. De stad bezat een heuse universiteit, iets dat in Maastricht nog ontbrak. Rechten in Nijmegen bleek al snel niet de studie waar Frans happy van werd. Het werd psychologie. Daar studeerden de mensen die in hetzelfde wereldje verkeerden. Medestanders die ook geraakt werden door een fotoboek vol prachtige illustraties van hippies die aan de westkust van de Verenigde Staten leefden. Buiten de stad, waar ze boomhutten bouwden en water uit een beek haalden. ‘Verdomme, dat wil ik ook.’
Als linkse rakker kwam hij in deze hippietijd in aanraking met groen. ‘In Nijmegen had je al een macrobiotische winkel met restaurant. Allemaal heel nieuw. Dus ik studeerde psychologie, gebruikte wel eens wat en hield van natuurvoeding. Het was een soort heilige drie-eenheid’, grinnikt Frans.
Hij snuffelde eraan toen hij tijdens een tussenjaar in het Geuldal ging werken voor biodynamische boer Crombach. Met de poten in de aarde. Een plek waar hij veel leerde over eten, duurzaamheid, een natuurlijk leven. Drie jaar later in 1976 keerde hij terug. Bij de boer, die inmiddels ook in België een boerderij onder zijn hoede had genomen. Frans ging erheen om zijn scriptie af te ronden. Hij kwam er terecht in een antroposofische omgeving. ‘De boerderij was ook een soort vakantieoord, waar mensen kwamen dansen, schilderen en zo.’
Frans maakte daar niet alleen zijn scriptie klinische psychologie af. Hij ontmoette er ook zijn vriendin Winnie en dankzij haar verdiepte zijn interesse. ‘Ze maakte aquarellen, is oosters, kijkt anders tegen dingen aan.’
Na zijn studie keerde hij terug naar het zuiden. In Maastricht was inmiddels (1976) een universiteit verrezen. Voor de medische faculteit begeleidde de jonge psycholoog studenten bij het verwerven van sociale vaardigheden. ‘Ik moest ze leren niet meteen aan een patiënt te vragen of-ie ziek was. Een goedverdienende baan. Ik heb het jaren gedaan.’ Klein detail: de vader van een van onze andere BioPioniers, Misjèl Lemmens, stond als huisarts aan de wieg van de Maastrichtse medische faculteit.
Winnie bracht hem naar een andere wereld. Een wereld waar medicijnen geen hoofdrol spelen. Als artsen haar willen opereren, weigert ze mee te werken. Medicijnen slikken? No way. Natuurvoeding zou de oplossing worden: granen, peulvruchten, fruit. Geen alcohol, geen drugs. Het werkt, zo blijkt achteraf. Tot grote verbazing van de medici. Frans: ‘Ze specialiseerde zich in de natuurvoeding. Ze verzorgde kooklessen, leidde mensen op. Ze ging haar boodschap over de hele wereld uitdragen.’
Frans daarentegen bleef in Maastricht en bezocht de voorlopers van Gedeelde Weelde, zoals La Yapa en de Maretak. Die hadden een winkel, maar verzorgden bijvoorbeeld ook een daghap. Allemaal heel kleinschalig. ‘Ella de Klerk was daar de icoon. Ze maakte zo’n 40 à 50 dagschotels per keer. Zij was het die tegen mij zei: wat mopper je toch altijd over onze winkels. Ze had gelijk. Ik zei te vaak: ik kom overal en het kan veel beter. Je weet hoe dat gaat. Je maakt jezelf groter’, legt Frans de interventie van Ella uit. ‘Ze kende namelijk nog zo’n mopperaar: Theo Remans. Ze bracht ons bij elkaar.’
Remans en Frans startten in 1993 met Gimsel aan de Rechtstraat, het pand waar later Ekoplaza was gevestigd. Gimsel was een landelijk opererende natuurwinkel, die op meerdere plaatsen in het land franchisenemers had. De Triodos-bank zat toentertijd met veel geld in de winkelketen.
Niet dat de mannen onmiddellijk een winkel konden openen. Een winkel heeft een pand nodig en de twee toekomstige ondernemers moesten even slikken toen ze hoorden dat zoiets al gauw 5000 toenmalige guldens per maand zou gaan kosten. ‘O hemel, dachten we toen. Hoe gaan we dat terugverdienen?’
Daarnaast deed de Kamer van Koophandel eerst moeilijk toen ze hun businessplan inleverden: ‘Er zaten twee heren van de KvK in driedelig pak tegenover ons. Die zeken ons de hele tijd af. Zo van: wie eet er nu natuurvoeding? Dat zijn toch elitaire mensen. En wat stelt Gimsel eigenlijk voor? Zeiken, zeiken en nog eens zeiken. Theo en ik hielden bijna elkaars handjes vast.’ Het bleek een toneelstukje. ‘De ondervragers keken of we gingen huilen. We werden getest.’ Het bio-tweetal kreeg groen licht. Ze mochten op zoek naar een pand, met steun van Gimsel en de Triodosbank.
Voordat het echter zover was, gingen de mannen op stage bij Gimsel-winkels in Rotterdam en Apeldoorn. Beiden hadden namelijk geen kaas gegeten van het runnen van een eigen winkel. ‘We veranderden van consumenten in producenten.’
Jarenlang deden ze alles samen. Het voortraject duurde een jaar of drie. Daarna was de winkel zeven jaar hun leven. ‘Je liep je helemaal suf. Het was je kindje. Een keer werd ik middenin de nacht wakker en dacht: de winkel is niet afgesloten. Ik slaapdronken naar buiten en ja hoor, de winkeldeur was niet op slot. Op een gegeven moment werden we iets wijzer. We besloten dat het ook goed was als een van ons even niet in de winkel was.’
In 2000 ging het echter mis. Gimsel werd opgekocht door Natufood. ‘Harde jongens. Ze vonden dat we niet genoeg omzet draaiden. Ze wilden harder, sneller en ze wilden slechts door met één van ons. De trukendoos ging open. Weer dat gezeik. We werden keihard onder druk gezet. Als jullie dat niet willen, dan laten we jullie failliet gaan. Uiteindelijk heeft Theo voor de winkel gekozen.’
Inmiddels heet de winkel Ekoplaza. Frans komt er nog altijd. Er ligt veel lief en leed achter de drempel. [Deze winkel is recentelijk verhuisd. In het pand aan de Rechtstraat zit geen biowinkel meer, red.] Hij krijgt vochtige ogen. Het doet hem nog altijd pijn als hij aan zijn voormalige winkel denkt. Even is hij stil: ‘Ja wacht. Het flitst van alle kanten. Ik zie mezelf. Ik zie hem. Ik zie onze klanten.’ Hij zucht.
Na de winkel slaat Frans een heel andere weg in. Hij werkt op de callcenters van Mercedes Benz, DHL, de Belastingdienst en zorgverzekeraar VGZ. Niet zijn gelukkigste periode, zo blijkt. ‘Ik zwierf in de cloud, terwijl ik eigenlijk met mijn handen in de grond had moeten zitten.’
Pas een jaar of tien geleden veranderde hij weer van consument in meedoener. Ondanks dat het gevoel van ‘verlies’ van de winkel nog steeds zwaar is, draagt hij ‘een mooiere, betere wereld realiseren’ eveneens een groot hart toe. Hij wil zich daar ook graag voor inzetten. Zelf iets doen.
Frans herinnert zich zijn terugkeer naar de biologische wereld nog goed: ’De naam Luuk Rövekamp zoemde rond. Een initiator. LOCOtuinen [toen nog aan de oostkant bij de Oude Molenweg, red.] timmerde aan de weg. Ook daar weer die Luuk. Overal dropte hij ideeën. Het werkte als een magneet.’ Frans ging bij de eerste vergadering kijken en luisteren. Het raakte hem. Hij voelde een gemis. Dit waren de mensen, de ideeën, die bij hem hoorden. Waar hij zich voor in wilde zetten.
Een coöperatieve bio-winkel oprichten in West-Maastricht? Frans was helemaal voor, want aan de westkant van de stad was niets. Voorlopers als La Yapa en de Maretak waren inmiddels alweer jaren dicht.
Frans wijst naar een hoek in de Brandweerkantine, waar we dit gesprek over de BioPioniers hebben. ‘Dáár begonnen we met het verkopen van regionale producten. We speelden winkeltje. Een proef eigenlijk. Stroop van Vandewall. Ook zo’n grootheid. Mart Vandewall is, denk ik, echt de godfather van de duurzaamheid in Zuid-Limburg. Die heeft zo veel ideeën mogelijk gemaakt. Hij is rond de tachtig en blijft maar gaan.’
Bij het ontstaan van de kersverse coöperatie Gedeelde Weelde was Frans overal bij. Nu niet als ondernemer, maar als meedoener. Schilderen, vergaderen, knutselen, meedenken. ‘Ik woonde om de hoek. Liep elke dag even langs om te kijken of er nog wat te doen was. Nou, dan zat je weer op de knieën. Slavenwerk’, zegt hij met een twinkeling in zijn ogen. ‘Krabben, poetsen.’ Iets wat hij nu ook doet bij de nieuwe Locotuinen. ‘Ik heb ook steeds meer met permacultuur. Alles komt uit de bodem. Jaja, ik ben en blijf een mijnwerker’, grinnikt hij.
Zijn natuurlijke habitat in Gedeelde Weelde is de groente- en fruitafdeling. ‘Het komt het dichtst bij buiten zijn. De kleuren, geuren, vormen, de levendigheid.’ Hij zou willen dat het nog in te richten gebied tegenover Gedeelde Weelde groener wordt, met op het plein een speelplek voor kinderen. Aan al die auto’s heeft hij een hekel. Zeker als er straks nog meer woningen verrijzen, is dat het moment om ook iets aan het stenige plein te doen. Hij hoopt ook op meer ruimte voor de winkel.
En Frans zelf? ‘Die platte organisatie, waarin we allemaal een onderdeel zijn, die maakt me gelukkig. Bij Gimsel werkten we zeven dagen in de week, echt overkill. Samen voor een natuurlijkere wereld, zoiets.’ Vooral dat samen.